Begin jaren zeventig waren er in Nederland maar twee TV kanalen. Programma’s en series trokken toen een veelvoud aan kijkers vergeleken met nu. Een van de programma’s waar Nederland massaal naar keek was de sprookjesserie “Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?”. Behalve gastrollen van de complete fine des fleur van de Nederlandse theater- en filmscène werden de voornaamste rollen vertolkt door Rob de Nijs, Barry Stevens en Martin Brozius. Barry Stevens werd panellid in een playbackshow, Rob de Nijs werd Hell’s Angel, maar hoe liep het af met Martin Brozius?


Er moet een flink aantal keren op de bel gedrukt worden voordat er gemorrel klinkt aan de voordeur. Een slaperig gezicht verschijnt in de deuropening. Een oude man in een lange onderbroek doet open. Martin Brozius verontschuldigt zich voor het feit dat het zo lang duurde voordat hij de deur opende: hij was in slaap gevallen. Het is 7 uur ’s avonds.
Niet alleen Brozius zelf is zichtbaar onderhevig aan de tand des tijds, ook zijn huis in de Schinkelstraat te Amsterdam ziet eruit als een wankel bouwwerk dat elk moment kan instorten. Het huis is door de gemeente op de slooplijst geplaatst. Brozius is al jaren in gevecht met het woningbouwbedrijf om die sloop te verhinderen of op zijn minst uit te stellen. Dat het huis uiteindelijk toch tegen de vlakte zal gaan staat echter inmiddels vast, zowel in juridische als in logische zin; een leek kan zien dat dit pand zijn langste tijd heeft gehad. De buitenmuur brokkelt af, hout is vermolmd en rot.

Eenmaal binnen laat het interieur zich het mildst omschrijven als versleten. Aan de muur hangen wat schilderijen en oude familiefoto’s. En een blindegeleidestok. Het interieur bestaat uit oude Ikea-stoelen, twee koelkasten, een tafeltje met paperassen -veel briefpapier van belastingdienst en woningbouw- en een drietal witplastic schrijfmachines. In het midden van de kamer bevindt zich een houten trap die naar de bovenverdieping leidt. Aan de achterkant van de kamer staat een houten tafel die tegen de muur getimmerd is. Ook op deze tafel een enorme berg met paperassen -wederom veel blauwe enveloppen- bestek met boter en andere etensresten, een volle asbak.

Oorlogskind bij de nonnen
Zijn gezicht is mager, zijn snor dun en grijs. Toch is hij onmiddellijk herkenbaar als het gezicht dat bijna 20 jaar geleden dagelijks op de televisie te zien was. Brozius staat in de keuken, hij maakt thee. Hij wrijft in zijn slaperige ogen en trekt moeizaam een bleke spijkerbroek aan. Daarna pakt hij een pakje Gladstone Menthol uit een halve slof die op een oud eiken kastje staat, maakt deze open en steekt een van de vele, vele sigaretten op die hij deze avond zal roken.

Martin Brozius, inmiddels bijna 60, is een van de laatst overgebleven iconen van het vaderlandse theater. Hij heeft gewerkt met groten als Ko van Dijk en Wim Sonneveld. Ontdekt door Tv-pionier Nico Knapper werd hij klaargestoomd voor het grote vermaak op de twee televisienetten die Nederland rijk was eind jaren zestig. Brozius had er toen al een lange carrière in het theater op zitten. “Als 12-jarig jochie hoorde ik een conference van Toon Hermans op de radio en ik wist: dit is wat ik ook wil, het theater in, grappen maken, het publiek vermaken.”

Een oorlogskind uit een rooms-katholiek, gebroken gezin. Zijn ouders gingen vroeg uit elkaar. Moeder verliet vervolgens de drie jongens en meisje Brozius, de kinderen werden in een rooms weeshuis geplaatst. “Ze nam de kuierlatten,” noemt Brozius het. De zusters van het weeshuis waren niet zachtzinnig. Als de kleine Martin te weerbarstig was tijdens het wekelijkse badje werd hij even flink met zijn hoofd onder water gehouden. Brozius heeft er een angst voor water aan over gehouden. Zijn moeder verscheen een paar jaar later plotseling toch weer ten tonele en nam de kinderen weer bij zich in huis. Ze opende een Patates&Friteszaak -een voorloper van de hedendaagse snackbar- waar de jonge Martin Brozius vanaf zijn veertiende, na van school te zijn gestuurd, de hele dag aardappels zat te schillen.

No, no recette
Op zijn zestiende verliet Brozius de Patates&Friteszaak van zijn moeder en ging het huis uit. Hij werkte op kermissen waar hij lootjes verkocht voor zogeheten prijzenfestijnen. Uiteindelijk vertrok hij naar Amsterdam om als een van de eersten te starten op de pas opgerichte Kleinkunstacademie. Hij kreeg er onderricht in ballet, dans en zang. Een klas hoger zat collega Rob de Nijs. Na de kleinkunstacademie werkte Brozius in ontelbare cabaret- en musicalvoorstellingen waarvan ‘De Kleine Parade’ geregisseerd door Wim Sonneveld, en ‘No, No Nanette’ de bekendste zijn. Zijn collega’s waren Joop Doderer, Jeroen Krabbé en Bueno de Mesquitta. “‘No, No nanette’ noem ik altijd no, no recette,” zegt Brozius. “Het leverde niets op. Gelukkig werd ik in die tijd benaderd door platenmaatschappijen die wat in me zagen en nam ik wat singletjes op. Nee, dat zette geen zoden aan de dijk, maar dat maakte niet uit. Geld interesseerde me toen niet en nu ook niet. Ik wilde publiek amuseren, theater maken.” Brozius is gaan zitten, de thee is hij vergeten, deze staat nog in de keuken. Nog een sigaret wordt opgestoken.

“Daarna kwam Nico Knapper met Hamelen. Dat was wel een ervaring, ja. Ik heb laatst nog eens nagekeken wie er in al die 45 afleveringen meegespeeld hebben maar dat zijn zo’n beetje alle namen die op dat moment op acteergebied enige betekenis hadden. Het was enorm.”

Brozius is in die tijd een niet onbemiddeld man. Ondanks het feit dat geld hem niet interesseert bezit hij 3 panden aan de rand van het Amsterdamse Vondelpark. Overdag speelt hij in Hamelen, ’s avonds staat hij in het theater, en tussendoor ontwikkelt hij een nieuw idee: Ren je rot. “Eind jaren zestig kwam Nico Knapper met het idee voor een zogenaamde jeugdspelshow. Hij had het in Amerika gezien, het heette ‘runaround’. Hij had er banden van meegenomen, ik keek er naar, veranderde er het een en ander aan en we noemden het Ren-je-rot. Het was een gigantisch succes.” Ren je rot is ruim tien jaar op de televisie geweest, iedereen die ouder is dan dertig kent het programma. Brozius kon in die tijd zijn huis nauwelijks meer uit zonder hordes kinderen achter zich aan te krijgen.

Belastingdienst
Na Hamelen en Ren je rot wordt het echter stil rond Martin Brozius. Hij komt nog even in het nieuws door echtscheidingsperikelen waarbij stevig met modder wordt gegooid, maar het hoogtepunt is voorbij. Eind jaren tachtig blijkt zijn toenmalige vriendin post voor hem achter te hebben gehouden en komt hij in conflict met de belastingdienst. Een grote som geld schijnt hij ze nog schuldig te zijn en begin jaren negentig wordt zijn hele huis door de belastingdienst leeggehaald. Zijn kinderen heeft hij dan door de slopende echtscheiding al jaren niet meer gezien. De vriendin van Brozius blijkt niet alleen post voor hem achter te hebben gehouden maar tevens zijn allerlaatste beetje geld te hebben verbrast. Er volgt een bijzonder vileine lastercampagne waarbij alle media bespeeld worden. Brozius ziet herhaaldelijk de binnenkant van het politiebureau omdat zijn ex-vriendin hem beschuldigt van mishandeling. Om aan geld te komen ziet hij zich in die periode genoodzaakt om zijn huizen te verkopen aan het Amsterdamse Woningbedrijf.

Zelf is Brozius vrij mild over het verleden. Hij zit in een witleren namaakrookstoel en steekt nog een Gladstone Menthol op. De telefoon gaat, het is zijn nieuwe vriendin. Dolly heet ze, een oude kennis eigenlijk, want ze hadden elkaar dertig jaar geleden al een keer ontmoet tijdens de auditie voor een theatershow. Daarna elkaar nooit meer gesproken tot drie jaar terug. “Ik was in slaap gevallen, sorry,” zegt hij verontschuldigend tegen haar. “Ik kom dadelijk naar je toe, ok?”

Terwijl Brozius zijn tandenborstel en scheerspullen bij elkaar zoekt en in een tasje stopt, beantwoordt hij de vraag of hij door de gebeurtenissen van de afgelopen jaren verbitterd is geraakt: “verbitterd om geld ben ik niet. Zoals ik al zei interesseert geld me niet. Dat mijn vermogen in de collectieve pot is terechtgekomen is jammer, maar ach. Dat ik mijn huis uit moet omdat de woningbouw me bedonderd heeft tijdens de verkoop van mijn onroerend goed aan hen, ach. Ik ben niet ontevreden. Ik vind het leuk om jong talent te coachen, dat doe ik nu. Ik spreek af en toe een tekenfilmpje in, ik doe een commercial, ik word eens gevraagd voor een filmpje. Ik heb eindelijk een goede verstandhouding met mijn ex-vrouw en mijn kinderen en ik heb een fijne vriendin. Dat is het belangrijkste.”

Brozius heeft een aantal hartinfarcten achter de rug en lijdt aan suikerziekte. Net als zijn vriendin. Op de vraag waarom er een blindegeleidestok aan de muur hangt antwoordt hij: “Dolly, mijn vriendin, ze is blind. Gevolg van suiker.”

Bij het afscheid nemen zegt hij: “Als ik je nog meer kan helpen bij je artikel kun je me altijd bellen.” Het is tijd om afscheid te nemen van het huis aan de Schinkelstraat. Nog even en dan staat dit huis hier niet meer. Het is donker, de straten zijn verlaten. Even later loopt een oude magere man met een klein toilettasje richting de tramhalte. Op weg naar zijn geliefde.

Advertenties